Zeventiende zondag door het jaar

Genesis 18.20-32, Lucas 11,1-13.

Bidden is  nooit vanzelfsprekend geweest. Want God zwijgt. De ellende van zoveel mensen, het eigen lijden: het stelt onze vertrouwelijkheid met een goede God zwaar op de proef. Soms denk ik aan de aangrijpende woorden van de dichter Leo Vroman: “Snik maar, want van hier tot God snikt niemand om ons lot”. Nood leert bidden, zeiden de mensen vroeger. Maar nood roept ook een wrang gevoel van machteloosheid op, van snikken. Het is alsof de woorden die we biddend tot God richten, op ons terugvallen.

In elk geval, dat het gebed onze verantwoorde­lijkheid niet wegneemt, weten we ondertussen maar al te goed. Maar met dat besef verdween het bidden ook naar de achtergrond. Mensen maken zich vaak inwendig de bedenking: als je dan toch zelf het meeste moet doen aan de nood, waarom zou je dan nog bidden? 

Het is precies dié vraag die de leerlingen vandaag aan Jezus stellen. Ze zien dat Jezus voortdurend actief betrokken staat op mensen in nood, en tegelijk ook geregeld bidt. Zijn gebed is geen alibi om niets te hoeven doen. Er is blijkbaar bij Jezus geen tegenstelling tussen zijn engagement voor de mensen en zijn gebed tot God. Wat zou dat bidden voor hem dan toch betekenen? Op een keer is hij weer ergens aan het bidden. De leerlingen zien dat. Ze zien hoe hij leeft van dat gebed, hoe sterk hij er zijn inspiratie uit haalt. Ze zien hoe hij vervuld is van degene die hij zijn Vader noemt. En spontaan roept één van hen: “Heer, geef ons uitleg. Wat betekent dat bidden voor jou? Leer het ons!”

En dan volgen, tot onze verbazing misschien, die bijna nuchtere woorden van Jezus: “Wanneer ge bidt, zegt dan: Vader, Uw Naam worde geheiligd, Uw Rijk kome. Geef ons iedere dag ons dagelijks brood, en vergeef ons onze zonden, want ook wijzelf vergeven aan ieder die ons iets schuldig is. En leid ons niet in bekoring. (...) Vraagt en u zal gegeven worden; zoekt en gij zult vinden; klopt en er zal worden opengedaan”. Bijna nuchtere woorden, inderdaad. Maar ze geven wel de grondtoon aan van ieder gebed. Ik wil daar even blijven bij stilstaan in de hoop dat die grondtoon ons mag helpen voor ons eigen bidden.

Waar gaat het Jezus om als hij spreekt over de manier van bidden? Jezus leefde geheel in de joodse gebedstraditie. Bidden, praten met God, is in de Bijbel vanzelfsprekend. Zo gewoon, dat er aanvankelijk in Israël geen apart woord voor bidden bestond. Bidden was roepen, juichen, lachen, huilen, schelden, smeken... Je had nauwelijks vaste riten en strikt voorge­schre­ven gebedsformules. Alles mocht. Dat is heel typerend voor het joodse gebed. Er is geen aparte gebedstaal, sacraal en verheven: bidden kan in alle standen en met iedere stem. Je hebt daar geen gevouwen handen en geen neergeslagen ogen voor nodig. Je hoeft niet te knielen of je diep ter aarde te buigen. Je hoeft helemaal geen gepolijste woorden te gebruiken. De enige voorwaarde is dat je God erkent als de Heilige, de Eeuwige, de ene Heer. En dan kan en mag alles tegen God. Je kunt met God spelen, Hem vleien, met Hem sjacheren zelfs. Je hebt een prachtig voorbeeld van een vrijmoedige omgang met God in de eerste lezing waar Abraham probeert te voorkomen dat er groot onheil komt over de zondige stad Sodom. Deze typisch joodse manier van bidden komt voortdurend voor in de Bijbel. Je kunt je hart luchten en tekeer gaan zoals Job: “Ik zal mijn mond niet houden tegenover U. Ik moet de bitterheid van mijn ziel uitspreken. Ben ik soms een oergedrocht, dat Gij mij zoiets aandoet? Wat heb ik U gedaan, mensenbespieder?”. Of psalm 69, met een overslaande stem: “Red mij, God, ik sta tot mijn nek in het water, ik ben weggezogen in zuigende modder”. Bidden is in al deze typisch joodse gebeden: teruggeworpen worden op jezelf, afdalen in jezelf, in de kuil die jezelf bent. En als mensen zich zo losgebeden hebben uit de greep van hun angst, komen hun gevoelens tot rust. Ieder gebed in de Bijbel, hoe verscheurd en wanhopig het ook begint, groeit naar een moment van verademing en zekerheid over God met wie je spreekt, zoals in psalm 42 staat: “Gij zijt mijn lijfsbehoud, Gij zijt mijn God!”. In dát joodse bidden heeft Jezus zich herkend. Steeds weer de omslag van verlorenheid naar redding, van dood naar leven. Precies van daaruit is zijn nuchter antwoord op de vraag van de leerlingen te begrijpen.

Zo’n omgang met een opperwezen is voor de moderne mens niet vanzelfsprekend. Maar dat is precies altijd het probleem geweest: dat bidden onlosmakelijk is verbonden met een God die luistert. Bidden is niet hetzelfde als mediteren of een gesprek met jezelf voeren. Bidden is niet slechts ‘denken naar binnen’, maar ook ‘spreken naar buiten’. En dan kom je bij de vraag die velen zich stellen: Is er wel een tweede persoon enkelvoud die luistert? Hoort die ‘Gij’ ons wel? Bidden veronderstelt dat God niet zomaar een symbool is van onszelf of een loutere idee. Tot een idee bid je niet. 

Jezus zegt: ‘Papa, Abba, Vader’, en hij verbindt die horende Vader met de minima van ons bestaan: brood, vergeving, standhouden. Hij legt dat uit met de gelijkenis waarin God vriend is en een vader die geen stenen voor brood, geen slang voor vis, geen schorpioen voor een ei geeft. Vader is laatste betrouwbaarheid, zoals vaders tegen kinderen zeggen: ‘Papa komt altijd terug'.  Maar de vraag en de twijfel blijven, want mensen worden soms in hun vertrouwen bedrogen. Vaders komen ook niet terug. Er is geen brood, geen vergeving, mensen houden niet stand. Mensen moorden elkaar uit. Jezus volede zich op het kruis totaal verlaten. Toch stenen voor brood, een schorpioen voor een ei, een slang voor een vis?

Ik denk het niet. Wel besef ik steeds meer dat het echte smeekgebed een andere inhoud heeft dan ik vroeger gedacht heb. Tot God je smeekbeden richten wil zeggen: je eigen onmacht erkennen, belijden dat je zelf niet de volledige heer en meester over je leven en over de wereld kunt zijn. Dat moet de diepe zin zijn van die woorden van Jezus: ‘Vraag en je zal gegeven worden...’. Vragen, zoeken, kloppen...allemaal gebaren van de mens die zijn eigen macht, zijn zelfverzekerdheid heeft afgelegd en die in zijn nood zijn toevlucht neemt tot de Bron van het leven.

Tot God je smeekbeden en je voorbeden richten wil altijd zeggen: ik kan niet leven zonder die Bron van mijn leven. Ik kan niet opkomen voor anderen zonder die oorsprong van alle vrede en geluk. Ik kan niet echt liefhebben zonder de impulsen van Hem die de Liefde is. Daarom wil ik afgestemd blijven op de innerlijke stem van God. Bidden wordt dan een levenshouding. Onze woorden worden dragers van een luisterend verlangen naar die innerlijke stem van God. Daarom mogen we onze gebedstaal nooit verliezen, want daarin is zoveel hoop en verwachting opgeslagen naar een beter, ander leven. In de gebedstaal ontwaakt de mens in de mens. Het gebed slaat een wak in mijn bevroren bestaan. Het verlangen naar de innerlijke stem van God, naar het andere leven, is er ook als woorden tekortschi­eten of door tranen zijn verstikt. Dán is er alleen nog de stilte van God. Dán is bidden: luisteren naar die stilte in ons. AMEN. 

Bernard de Cock o.p.