14de zondag door het jaar

Jesaja 66,10-14c -  Lucas 10,1-12.17-20

A Vlaamse romancier Johan de Boose schreef enkele jaren geleden een dik boek met als titel ‘Bloedgetuigen’. In die beklijvende roman staat o.a. het verhaal van de Vlaamse adolescent Jean Martin, de zoon van een Belgische beroepsmilitair. De jongen besluit in 1941 om de diepste wens van zijn vader te vervullen door met de Duitse bezetter te gaan vechten tegen het sovjet-communisme. Hij wordt een van de vele jonge oostfrontstrijders wiens idealisme gebruikt wordt door bepaalde politieke leidersfiguren en katholieke geestelijken uit die tijd om het christelijk geloof gewapenderhand te gaan verdedigen tegen de goddeloze communisten. “Moscou of Rome?” was de leuze die jongeren toen deed radicaliseren. Hoe het afloopt met de jongen, kan je zelf lezen in de roman.

En verleden jaar verscheen het ondertussen bekende boek ‘De Jihadkaravaan’ van de in Vlaanderen wonende jonge Palestijn Montasser Alde’emeh. Als een ontwortelde tiener die opgroeide met haat stond hij op het punt zelf de wapens op te nemen. Hij deed het niet en ging in de plaats daarvan studeren aan de Katholieke Universiteit van Leuven. Hij onderzocht de redenen waarom jonge moslims radicaliseren en zich gewapenderhand aansluiten bij IS om te vechten tegen de ongelovigen. Hij is zelfs in Syrië gaan praten met Belgische jongeren die er aan het vechten zijn. En hier bij ons troost hij hun verontruste ouders. Zijn boek eindigt met positieve stappen tegen een dergelijke radicalisering die alleen maar naar grotere haat en naar dood leidt.

Beide boeken hebben me tegelijk onthutst én kwaad achtergelaten. Om dezelfde reden. Hoe komt het, dacht ik, dat het gebruik van geweld, hier concreet binnen het christendom en de islam, het altijd zo gemakkelijk haalt op het stichten van vrede. Moeten godsdienstige overtuigingen dan altijd leiden tot een dodelijk treffen met mensen die anders denken of geloven? Volgens het schema wij-in-de-waarheid tegenover de anderen-verkeerd. Met uiteraard de juiste God aan ónze kant die ons groen licht geeft om in zijn naam orde op zaken te stellen. Vanuit mijn twee voorbeelden blijkt duidelijk dat wij christenen op dat gebied niet beter en niet slechter zijn dan moslims. Laten we in elk geval beginnen met voor onze eigen christelijke deur te vegen.

Daartoe biedt de figuur zelf van Jezus een prachtige kans. Het begon al bij het begin van zijn leven. Met Kerstmis jongstleden maakte ik een klein liedje met de volgende tekst: “Jouw geboorte is het teken: een engel ons gebood dat alleen wie brengt de vrede mag roepen God is groot”. Zeggen dat God groot is, eer brengen aan die God, uitroepen: ‘Allahu akbar’ of zingen: ‘Gloria in excelis Deo’, dit gaat niet samen met een bom te laten ontploffen noch met mensen terecht te stellen of neer te schieten. En zeker ook niet met armen te laten omkomen van de honger of mensen op de vlucht aan hun lot over te laten. Inderdaad, naar aanleiding van Jezus’ geboorte krijgen de herders van de engelenschare te horen dat ware godsdienst en intens vredeswerk elkaar oproepen. Ook het evangelie van vandaag laat daar geen twijfel over bestaan. We hoorden er Jezus instructies geven bij de zending van tweeënzeventig leerlingen. Laten we daar even bij stilstaan.

In de tekst gaat het over een zending, je kan zeggen: over het werven van nieuwe aanhangers, over missionering overal te lande, zelfs ver buiten de grenzen. Jezus stuurt een grote groep van 72 volgelingen erop uit in teams van twee. Naar mensen en volkeren die niet bepaald van plan zijn hen vriendelijk te ontvangen. Integendeel, de verkondigers zullen als lammeren onder de wolven zijn, verwittigt Jezus. Ze krijgen dus een moeilijke, levensbedreigende opdracht. Je verwacht dan ook dat de inhoud, de methode en de middelen van die missie spectaculair zullen zijn. Niets daarvan in de tekst. Integendeel. Hun boodschap, de inhoud van hun preek, wordt herleid tot één zinnetje: “het Rijk Gods is nu nabij”. De methodes die ze van Jezus mogen gebruiken, zijn enkel: vrede wensen aan de mensen, mee aan tafel gaan met de families die iets te eten aanbieden, en de zieken die er zijn genezen. De middelen tenslotte zijn nog minder dan wat je nodig hebt als je op stap gaat: geen geld, geen bagage, geen schoeisel. Heel verrassend. Je vraagt je af hoe die armoedzaaiers zonder een aantrekkelijke boodschap, zonder een goed uitgewerkte strategie, zonder financies hun koopwaar aan de man konden brengen.

En toch is dit de kern van de christelijke missie, vroeger, nu en in de toekomst: het Rijk Gods, dat wil zeggen God zélf, is nu aanwezig in de manier waarop ik en jij, wij als gemeenschap,  dat Rijk Gods gestalte geven, namelijk door op de eerste plaats aan de primaire behoeften van mensen in nood te helpen voldoen – eten en drinken, een dak boven het hoofd, kleding; door zieken te genezen, door vrede met andersdenkenden te bewerken, door gastvrijheid te ontvangen en te geven, door mensen in psychische nood nabij te zijn. Dat alles niet met een paternalistische instelling van de hebbers ten aanzien van de niet-hebbers, of met een hautaine mentaliteit van wie menen definitief de waarheid te bezitten ten aanzien van degenen die niet in die waarheid staan en moeten overtuigd worden. Jezus zegt uitdrukkelijk dat de verkondigers zelf ook arm moeten zijn en moeten blijven zoeken naar waarheid in waarachtigheid zodat ze solidair kunnen worden met wie nog armer is... God geeft ons als het ware aan elkaar opdat we in onze menselijke schamelheid de schamelheid van de ander kunnen omarmen.

Als we de geschiedenis van de christelijke missionering en verkondiging tot op vandaag bekijken, zien we – naast heel veel negatieve voorbeelden –duizenden ontroerend-positieve uitingen van mensen die Jezus’ oproep zo hebben beleefd. Spontaan denk ik hier aan de vermoorde trappisten van Thibirine in Algerije, wier verhaal zo sterk in beeld werd gebracht via de film “Des hommes et des dieux”. Of een stuk verder in de geschiedenis, aan Frans de Vitoria, een Spaanse dominicaan uit de zestiende eeuw die wel zelf geen missionaris was, maar vanuit Salamanca vocht en pleitte voor het universeel volkerenrecht. Alle rassen, alle volken, alle godsdiensten, alle staten zijn ondergeschikt, zei hij, aan de universele mensengemeenschap. Van nature hebben alle mensen recht op hetzelfde respect, op dezelfde vriendschap, op dezelfde hulp. Vijfhonderd jaar geleden pleitte hij al voor een menswaardige opvang van vluchtelingen. Het mag wel eens gezegd worden – nu wij, dominicanen, dit jaar 800 jaar bestaan – dat onze geschiedenis méér is geweest dan de Inquisitie en een slechte missionering in het kielzog van plunderende veroveraars, dat we ook veel eenvoudige bekende en minder bekende medebroeders en zusters hebben gehad – hier en in de missies – die de arme rondtrekkende Jezus hebben nagevolgd en partij hebben gekozen voor de ontrechte, arme medemensen, en zo het Rijk van God naderbij brachten.

Mag ik even terugkeren naar de twee boeken waar ik in het begin over sprak? Ze beschrijven elk een voorbeeld van een radicaal wij-zij denken, waarbij godsdienst misbruikt wordt om de ‘zij’ te elimineren, teneinde een zogenaamde zuivere identiteit van het ‘wij’ te bekomen. Jezus wil ons vandaag zeggen dat onze christelijke identiteit er precies in bestaat niet de ander te overheersen, maar de ander ongewapend en ontwapenend tegemoet te treden. En dat precies daarin het Rijk Gods onder ons komt. Laten we in de complexe omstandigheden van Brexit, vluchtelingen, sociale afbouw tonen dat we christenen zijn. Amen.

Bernard de Cock o.p.

 

 

 

 

 Beluister de

 jubileumhymne

 

 

 

 

 

Jean Mossoux 

 

 

 

 

De Dominicaanse gemeenschap in Knokke

Sint-Dominicushuis | Sparrendreef 91 | 8300 Knokke-Heist

T 050 60 24 55 | E Dit e-mailadres wordt beveiligd tegen spambots. JavaScript dient ingeschakeld te zijn om het te bekijken.IBAN BE36 7380 1199 5181 | BIC KREDBEBB