Preek 29 oktober 2017

  

Inleiding (na de opening door de priester)

“Meester, wat is het voornaamste gebod in de wet?” is de vraag die de Farizeeën in het evangelie aan Jezus stellen. De meeste gelovigen kennen deze vraag van de Farizeeën en ze kennen eveneens het antwoord van Jezus dat kort gezegd neerkomt op: “Bemin god en evenwaardig daaraan: bemin de naaste als uzelf.” Vraag en antwoord klinken misschien zelfs zò vertrouwd en evident dat we er nauwelijks nog bij stilstaan. Het gevaar van die vertrouwdheid is dat die uitspraak zijn kracht dreigt te verliezen, dat we ze stilzwijgend klasseren zonder dat het ons nog iets doet.
Om dat te vermijden stel je best zelf enkele vragen aan de tekst. Bijvoorbeeld… Als het antwoord van Jezus zo evident zou zijn als het lijkt, waarom werd de vraag dan zelfs gesteld? Konden de Farizeeën dat antwoord dan zelf niet bedenken? Waren ze zelf wel écht op zoek naar een antwoord of was het enkel een valstrik, een strikvraag? En hoe ging Jezus zelf met die vraag om? Was zijn antwoord evident of ging er een zoektocht, een proces van verheldering aan vooraf? En bovendien: bracht Jezus met zijn antwoord iets nieuws aan in zijn tijd? En via deze laatste vraag komen we in het denken van vandaag terecht nl. als Jezus effectief iets nieuw aanbracht, wat zijn wij daar 2000 jaar later dan nog mee? Hóren wij dat nieuwe nog en brengt het iets teweeg in ons denken en handelen?
“Bemin god en evenwaardig daaraan: bemin de naaste als uzelf”. Deze uitspraak van Jezus is niet enkel een homilie waard. Ze kan ook de drijfveer zijn om in ons bidden god en mens samen te brengen: “Keer u om naar ons toe, keer ons toe naar elkaar.” Laat deze mantra ons doorheen deze viering begeleiden.

Homilie

Misschien heeft u ook de documentaire gezien waarin TV-kok Jeroen Meus te gast was bij de Joodse familie Hoffman in Antwerpen. Uiteraard ging het in die uitzending vaak over voedsel en voedselbereiding. Voor buitenstaanders was het daarbij verbazend hoeveel regeltjes die familie van chassidische joden binnen de spijswetten dienen na te leven: wat je mag eten en wat niet, hoe je voeding moet bereiden om koosjer te eten, enzovoort. Alles is heel strikt bepaald. En nog meer verbazend: die orthodoxe joden leken onder die karrevracht regels niet te lijden. De familie Hoffman was best een gelukkige familie. En één van de redenen daarvoor is hun aanvoelen te staan in een Joodse traditie die teruggaat op stevige bijbelse gronden.

Eigenlijk is het zo dat Jezus thuishoort in diezelfde traditie waar de familie Hoffman vandaag nog mee leeft. Jezus kende de vele wetten en voorschriften die teruggaan op de eerste 5 boeken van de Schrift: van het boek Genesis tot het boek Deuteronomium. Hij was immers zelf allereerst een jood en kende en beleefde dus zeker die 613 voorschriften uit de Torah, uit de wet. 613 ! Je zou er, zelfs als vrome jood, het noorden bij kwijtraken. Daarom was het niet ongewoon dat Joodse schriftgeleerden onder elkaar discussieerden over een vorm van hiërarchie binnen die voorschriften. Iedereen kent wel het discussiepunt over de vraag of je je ezel die op sabbat in een put is gevallen er mag uithalen. Het is dus niet abnormaal dat de Farizeeën van rabbi Jezus wel eens willen weten wat hij het voornaamste gebod vindt, méér nog: het is zelfs een kernvraag. Op die evidente vraag geeft Jezus echter geen evident antwoord. Hij schuift immers twee geboden naar voor ipv één, zet beide als evenwaardig naast elkaar en voegt er bovendien aan toe: “Aan deze twee geboden hangt heel de Wet en de profeten.” Wat Jezus hiermee realiseert, is twee elementen aangeven om met die veelheid van wetten om te gaan: hij reikt een criterium aan en hij geeft een kompas mee. Het criterium bij de interpretatie van de wet is de nood van en de liefde voor de naaste. Het kompas om die nood juist in te schatten, is mijn relatie met god die stoelt op wederzijdse liefde.
Eigenlijk was dit aanvoelen reeds in het Oude Testament aanwezig. Denken we maar even terug aan de eerste lezing van vandaag met die ongelooflijk krachtige en bijzonder actuele woorden uit Exodus: “Gij moet een vreemdeling niet slecht behandelen want ge hebt zelf als vreemdeling gewoond in Egypte.” En als gij het toch doet, zal mijn toorn losbarsten omdat uw geloof voor mij dan zelfs niet bestaat… In dergelijke woorden is uiteindelijk de grondintuïtie geworteld van het spreken en handelen van Jezus.
Rabbi Jezus bracht wel degelijk een nieuw levensverstaan binnen in de zoektocht van zijn tijd.

Even belangrijk als dat inzicht is de vraag of dat vernieuwende van toen ook voor ons vandààg nog relevant is. Daarbij komt niet zozeer het tweede gebod “Bemin je naaste als jezelf” in het vizier want dat wordt nu vaak gezien als hoogste ethische regel binnen een humane samenleving.
Neen, het is vooral het eerste gebod dat onder vuur komt: “Gij zult de heer uw god beminnen met heel uw hart…” De vraag is onder welke vorm die grondintuitie van Jezus voor ons accepteerbaar is.
Ik wil hierbij twee bedenkingen maken die naar mijn aanvoelen essentieel zijn in deze zoektocht.

Allereerst is het niet eender wélke god bedoeld wordt die we dienen te beminnen.
Dostojewski stelde: “Als god niet bestaat, is alles toegelaten.” Hij zag God als stok achter de deur opdat de mens op het rechte pad zou blijven. Maar hebben we daarvoor wel een god nodig? Behoort autonomie, zelfbepaling vandaag niet tot het DNA van ons mens-zijn. In ons huidig levensklimaat hoort niet langer de god thuis van het “god ziet u” – kadertje dat zolang in veel Vlaamse huiskamers hing. Het gebod “Gij zult de heer uw god beminnen…” maakt enkel een kans als dat bekende zinnetje “god ziet u” zijn vroegere betekenis helemaal heeft ingeruild voor wat Jezus ons heeft aangezegd: “god ziet u… graag”. Een god die je fundamenteel graag ziet, maakt kans dat je hem aanvaardt als kompas.

Een tweede bedenking die de grondintuitie van Jezus bij mij oproept, is dat het beminnen van die god een ander soort geloven onderstelt dan wat vaak nog onder geloof wordt verstaan nl. het erkennen van het bestáán van god met daaraan gekoppeld het naleven van een gedragscode.
Het gebod “Gij zult de heer uw god beminnen” gaat er echter van uit dat hij vooràf al “uw god” geworden is en dat je dat als zodanig ook beleeft. Het gebod suggereert dus iets heel diepgaand en indringend nl. dat je antwoordt op wat hij eerst aanbiedt en dat je hem bemint met al wat je in je hebt. Dat je dus een verhouding aangaat, een relatie. Misschien kunnen we hier wel in de leer gaan bij onze moslimbroeders die 5 maal per dag bidden: een ongelooflijk rijke geloofscultuur is dat. Want 5 maal per dag openen zij zichzelf voor een relatie met de Allerhoogste. Het gebod “Gij zult de heer uw god beminnen …” maakt enkel een kans als we ook dat aspect van Jezus’ intuitie in ons leven integreren: dat god ons onophoudelijk zoekt en bij ons te gast wil zijn.
Deze eucharistie geeft ons de kans om ons te openen voor die zoektocht van onze god.

 

P. Herman

 

 

 

 

 Beluister de

 jubileumhymne

 

 

 

 

 

Jean Mossoux 

 

 

 

_________________ 

 Commentaren bekijken

_________________

 

Citaat commentaar Etienne Leirman

 

" Zijn doelpubliek is een steeds groter wordende groep die zich niet meer door de traditionele taal en leer aangesproken voelt of zelfs helemaal van vervreemd is. "

 _________________

 

 Citaat commentaar Sofie Foets 

 

"Het boekje “genoeg, gooi het over een andere boeg” was voor mij dus eigenlijk een leuke herinnering aan die kindertijd. Ik heb er  –  tot mijn verbazing – echt van genoten. Ik beleefde een soort van “aha-erlebnis” toen ik het las."

 _________________

 

Citaat commentaar Mieke Morlion

 

"Hij doorworstelt zijn scepsis ten aanzien van de figuur van Jezus via het evangelie van Matteüs. De teksten die hij dan verder doorploegt, bieden een rijk pakket aan christelijke inzichten."

 

 

 

De Dominicaanse gemeenschap in Knokke

Sint-Dominicushuis | Sparrendreef 91 | 8300 Knokke-Heist

T 050 60 24 55 | E Dit e-mailadres wordt beveiligd tegen spambots. JavaScript dient ingeschakeld te zijn om het te bekijken.IBAN BE36 7380 1199 5181 | BIC KREDBEBB