Spreken en luisteren 

Spreken is een van de meest gebruikelijke en ook één van de moeilijkste aspekten van ons leven.  Ik heb eens gelezen dat heel lang geleden - en ver van hier - de mannen zich beklaagden dat de vrouwen te veel spraken en dat anderzijds de vrouwen zich beklaagden dat de mannen niet genoeg naar hen luisterden.  Maar dat is heel lang geleden en ver van hier. 

Mensen hebben er nood aan met elkaar te spreken.  Dat biedt ons de kans, de mogelijkheid te bestaan. In onze grootsteden zijn er veel vrouwen en migranten die gedurende de hele week de mogelijkheid niet hebben om met iemand te spreken.  Vroeger waren de markten en de winkels de plaatsen waar de mensen met elkaar in gesprek geraakten. Maar als wij nu aan de kassa in een winkel staan, moet alles héél snel gaan… moeten we vlug dóórgaan en plaats maken voor de volgende klant. Het is geen plaats meer om met elkaar te spreken. 

Sinds het begin van mijn kloosterleven heb ik mij de vraag gesteld : welke plaats heeft het gesprek in ons religieus leven ?  Wat zou het inhoud moeten zijn van ons gesprek in een klooster ? Er bestaat daarover een oude spreuk, die zegt  : als er teveel wordt gesproken, dan wordt er kwaad gesproken.  Dat is een oude en universele ervaring.  Als we niets meer te zeggen hebben, beginnen wij over andere personen te spreken en is het zelden in positieve zin.  Wij moeten dus onze tong beheersen, maar de vraag blijft : wat mogen wij zeggen en wanneer mogen wij spreken ?

En ik heb in de dominikaanse traditie een antwoord gezocht op deze vragen.  Er wordt over Dominikus geschreven dat hij altijd ofwel mét God ofwel óver God sprak.  Dat is bijzonder mooi – ongeloofelijk eigenlijk  :  altijd met God of over God te spreken, maar…  dat kan ook een beetje vervelend zijn voor jezelf  en ook voor de anderen.  Ik spreek namelijk ook graag over de kleine dingen van het leven en ik vertel ook graag moppen, alhoewel ik  niet altijd zeker ben dat mijn moppen goed begrepen worden. 

Ik heb dus in andere tradities naar een oplossing gezocht en ik vond een antwoord bij Basilius de Grote.  Hij is de wetgever van het kloosterleven in Oosten.  Hij schrijft voor dat gesprekken nuttig moeten zijn.  En ik vind dit voorschrift héél bevredigend.  Ja !  Het kan inderdaad nuttig zijn over voetbal te spreken en moppen te vertellen. Dat kan de sfeer in het gezin of in het klooster ontspannen.  Maar om iets nuttigs te kunnen zeggen  moeten wij weten wat de anderen nodig hebben, wat zij kunnen aanhoren of beluisteren en ook wat zij zelf graag zouden zeggen.  

En dan ontdekken wij dat een nuttig gesprek niet een stroom van woorden is, maar dat een nuttig gesprek aandacht schenkt aan de mensen in onze omgeving.  Dat doet mij denken aan een beeld van fra Angelco aan de ingang van ons klooster in Firenze.  Hij heeft het beeld geschilderd van een medebroeder die een vinger aan zijn lippen houdt, als een uitnodiging om te zwijgen.   Inderdaad ! Aan het einde van een weekend van preken en nadat de mengite mij toegejuicht heeft  kom ik in de verleiding om luidop in de gangen van het klooster mijn vreugde uit te schreeuwen.  Maar Fra Angelico nodigt mij uit het lawaai dat in mijn hart huist een halt toe te roepen ; hij nodigt uit om in de stilte te luisteren naar de zachte woorden van God.

Ja ! God fluistert.  Als Hij spreekt, hoor ik altijd zachte woorden. Als God fluistert, klinkt er tederheid in mijn oor.  Maar nù is er  nog veel lawaai in mijn hart en in mijn leven.  

Het belangrijkste is niet over God te spreken, maar naar Hem te luisteren en vol bewondering naast Hem te zitten.  Het is zoals aan het einde van een preek :  de mensen zitten stil, soms omdat zij vol bewondering zijn, maar ook dikwijls omdat zij diep ingeslapen zijn.  

Philippe Henne