32° zondag door het jaar. C. 

Het hele evangelie door horen we telkens opnieuw hoe de schriftgeleerden Jezus confronteren met de vraag: Waar haal  jij je autoriteit vandaan?...  Met welk gezag verkondig jij wat jij de Blijde boodschap noemt?

Vandaag verpakken de Sadduceeën deze kernvraag  in een aparte case. Ze klinkt óns wellicht vreemd in de oren maar voor de Sadduceeën en ook voor Jezus is ze heel vertrouwd.   Hun vertrekpunt is immers een wet die rechtstreeks komt uit de boeken Genesis en Deuteronomium. Die wet zegt dat een kinderloze weduwe moet huwen met de broer van haar overleden man - desnoods herhaald tot zevenmaal toe - om via kinderen de naam van de overleden echtgenoot voort te zetten.  Niets vreemd aan de hand dus met dit vertrekpunt.

Minder evident echter is de vraag die de Sadduceeën eraan toevoegen: “Van welke broer is zij bij de verrijzenis de vrouw?”  Het betrekken van de verrijzenis in hun strategie leert ons dat de Sadduceeën een strikvraag stellen. De Sadduceeën accepteerden voor hun geloofsopvatting immers enkel de wet van Mozes en verwierpen op basis daarvan elke vorm van leven na de dood.  

Waar het hen éigenlijk om te doen is, is de vraag of Jezus al dan niet Mozes volgt.   Jezus beseft waar ze naartoe willen en omzeilt de valkuil.  Hij ook beroept zich in zijn antwoord - nét als zij – op Mozes en zet hen in die zin deels schaakmat.  Het gaat hier echter niet enkel om een kunstgreep van Jezus want inhoudelijk gaat hij een stap verder in het denken over de opstanding. Hij opent een nieuw perspectief door vanuit een ander niveau te kijken.  Hij vertrekt niet langer van huwen en uitgehuwelijkt worden, van nood aan nageslacht.  Hij verlaat de menselijke verwachtingen en beelden over voorbestaan die hij toeschrijft aan “de kinderen van deze wereld”.  Hij stapt over naar een perspectief van “de kinderen van God”.   En dat perspectief sluit wellicht aan bij de basisintuïtie van Jezus: hoé mijn God het ooit zal realiseren, weet ik niet maar zéker is dat Hij nooit varen laat het werk van zijn handen, zelfs over onze dood heen.  Kome wat komt.

Het antwoord van Jezus maakte blijkbaar indruk. Hij dwong zelfs respect af bij een aantal schriftgeleerden die zegden: “Meester, dat hebt Gij goed gezegd.”

 

Hiermee staan we terug bij de kernvraag die het evangelie ons vandaag aanlevert nl. waar haalt Jezus zijn gezag vandaan? Hoe kon hij zo spreken?

Er zijn m.i. minstens drie bronnen waaraan Jezus zijn gezag ontleende. 

Een eerste bron is af te lezen uit het evangelie van vandaag:  Jezus verwerpt Mozes niet (elders zegt hij trouwens: “Ik ben niet gekomen om de wet af te schaffen…”).  Jezus staat met twee voeten in de grondstroom van het Joods geloof.  Hij is iemand die is opgegroeid met de Wet en de Profeten, die zich heeft ingebed in het vieren en het bidden van zijn geloofstraditie.  Hij houdt duidelijk van zijn geloof zoals het hem in handen is gelegd.

Een tweede bron waaraan Jezus gezag ontleent, is de openheid tegenover diezelfde geloofstraditie.   Hij ziet Mozes ook als bron en leraar maar – in tegenstelling tot de Sadduceeën - niet als eindpunt: hij interpretéért de eigen traditie en komt zo tot andere inzichten, hij sluit de traditie niet maar houdt ze open.  Hoezeer hij ook geworteld is in zijn geloofstraditie, hij staat er in zekere zin ook vrij tegenover.  En zo heeft hij zijn traditie nieuw leven gegeven.

De derde bron van Jezus’ gezagvol spreken leiden we af uit de fundamentele levensingesteldheid van Jezus: hij spreekt niet zozeer vanuit kennen maar vanuit relatie.  Weten en kennen heeft de neiging om alles te betonneren, om te verstarren en te verstollen.  In de intieme ontmoeting van Jezus met zijn god liet hij zich aanraken door woorden van leven.  Die aanraking doet hem nieuwe wegen gaan.   Die aanraking maakte van hem een ander mens, een god-mens.  

  • Zo voelde hij dat er een levende werkelijkheid schuilgaat achter zijn God en sprak hij hem aan op een nieuwe manier: als zijn “Abba”  
  • Zo heeft hij het messiaans visioen over een nieuwe hemel en een nieuwe aarde zo sterk in zich gehoord dat hij zelf messias-mens is geworden.
  • Zo was hij innerlijk zo open en vrij, zo ontvankelijk en ontledigd dat de Onnoembare zelf hem tegemoet kwam om definitief in hem te wonen. 

 

In heel dit verhaal zijn ook wijzelf betrokken partij.    Niet alleen de vraag naar de autoriteit van Jezus is in het geding maar tegelijk ook de vraag naar onze eigen geloofwaardigheid als christen. De vraag wordt aan mij, aan ieder van ons gesteld: waarop is mijn spreken als christen gefundeerd?   Wanneer klinkt mijn stem geloofwaardig? Waaruit groeit ook voor onszelf “spreken met gezag”?

Wellicht zijn de bronnen waaruit de autoriteit van Jezus groeide ook voor ons inspirerend en levengevend: 

  • Staan ook wij met hart en ziel in onze geloofstraditie?  Zijn wij ons in nederigheid bewust van de rijkdom van ons geloof?  Zijn wij op zoek naar de unieke sporen van God die ons vanuit de Bijbel worden aangereikt?       
  • Durven we tegelijk onze traditie ook bevragen en open houden opdat wij onze God niet vastzetten in dogma’s of in eigen verwachtingen?  Kunnen wij onze God zo de vrijheid laten te worden wie hij in werkelijkheid is?  
  • En zijn ook wij op zoek naar een relatie met die Onnoembare en Nabije god?  Verlangen wij naar hem als naar een “Abba”?   Laten wij ons door hem verleiden om nieuwe mensen te worden?

 

Laten we in deze viering ons hart openstellen opdat we aangeraakt worden door woorden van leven en onze God als “Abba” verwelkomen.

 

 

 

 

 

 Beluister de

 jubileumhymne

 

 

 

 

 

Jean Mossoux 

 

 

 

 

De Dominicaanse gemeenschap in Knokke

Sint-Dominicushuis | Sparrendreef 91 | 8300 Knokke-Heist

T 050 60 24 55 | E Dit e-mailadres wordt beveiligd tegen spambots. JavaScript dient ingeschakeld te zijn om het te bekijken.IBAN BE36 7380 1199 5181 | BIC KREDBEBB