De goede houding

Je kan je de vraag stellen waarom Jezus zo vaak de Farizeeën in een slecht daglicht stelt. Als je de Farizeeër hoort, lijkt hij wel een voorbeeldige man te zijn. Toch vindt hij in de ogen van Jezus geen genade. Wél de man die door iedereen uitgespuwd wordt, deze vuige afzetter en collaborateur, die man wordt de hemel ingeprezen. Elke rechtgeaarde mens kijkt daar verbouwereerd van op.  

Jezus houdt ervan verhalen te vertellen. Het is zijn geliefkoosde manier om het gesprek aan te gaan met zijn toehoorders en hen iets duidelijk te maken. En als je iets duidelijk wil maken, moet je altijd een beetje overdrijven. Wat hier ook gebeurt.

Aan de hand van deze gelijkenis wil Jezus ons een spiegel voorhouden, wil hij de vraag uitlokken in welke van de twee mannen wij onszelf herkennen. Met de Farizeeër toont Jezus ons iemand die vast overtuigd is een 'rechtvaardige' te zijn, iemand die van zichzelf denkt met God en de wereld in perfecte harmonie te zijn. Voor hem is alles OK. Hij leidt inderdaad een voorbeeldig leven. Daar is hij zich goed van bewust en hij houdt niet op het voortdurend te herhalen: "Goddank dat ik niet ben zoals de anderen, een bende criminele, een zootje oneerlijke ondernemers, een troep geile mannen die vrouw en kind achterlaten om vreemd te gaan".

Waarom moeten wij ons altijd zo nodig met anderen vergelijken? Zoeken we naar redenen om ons boven de anderen te verheffen? Beschouwen onszelf als de "beteren"? Als we echt in vrede leven met onszelf, hoeven we niet de behoefte te voelen om anderen te kleineren en te minachten. Of is het eerder een manier om onze eigen fouten en tekortkomingen te verdringen? 

De Farizeeër stelt zich niet enkel tevreden met zichzelf te verheerlijken maar hij somt ook nog nauwkeurig al zijn goede daden op. Ik vast tweemaal per week (wat meer is dan wat hem gevraagd wordt), ik geef tienden van al mijn inkomsten. Ja, hij is werkelijk het voorbeeld van de vrome Jood. Wat een tegenstelling met de tollenaar die zich maar al te goed bewust is van zijn ellendige toestand, die weet dat hij God niets te bieden heeft, die weet dat hij een zondaar is. Zoveel foute zaken hebben zich in de loop van zijn leven opgestapeld. Hij went zijn ellende niet op anderen af, hij wijt het ook niet aan een ongelukkige samenloop van omstandigheden of omdat hij daartoe zou gedwongen zijn geweest. Hij zoekt geen excuus. Terwijl de Farizeeër zichzelf vergelijkt met de anderen, doet de tollenaar dit niet. Hij erkent zijn fout en slaat zich berouwvol op de borst nederig biddend: God, wees mij zondaar genadig.

Zoals in de evangelielezing van vorige zondag over de standvastige weduwe en de stugge rechter gaat het ook hier over het gebed, maar nog meer over de houding die wij tegenover God moeten aannemen. De manier van bidden lijkt minstens even belangrijk als het feit van het bidden zelf. De fout van de Farizeeër ligt niet op het vlak van de religieuze praktijk, die leeft hij nauwgezet na. Wat de doorslag geeft in Jezus' beoordeling is de houding van deze twee mannen. De Farizeeër verkoopt zichzelf aan God op basis van zijn eigen verdiensten. De tollenaar heeft alleen maar een rouwmoedig hart aan te bieden. 

Op het moment dat de mens voor Gods aanschijn staat, kan hij alleen maar nederig bidden om genade en vergeving. De tollenaar wordt gerechtvaardigd, de Farizeeër niet.  Wie zichzelf positief beoordeelt, ontvangt van God een negatieve beoordeling en wie zichzelf negatief beoordeelt, ontvangt van God een positieve beoordeling. Vandaar dat Jezus kan besluiten dat al wie zich verheft, zal vernederd, maar wie zich vernedert, zal verheven worden.

fr. Stef.