Dominicaanse identiteit vandaag

Inleiding

Een korte objectieve situatieschets van de orde der predikbroeders. Gesticht in 1216 telt de orde 800 jaar later 5800 broeders van wie er ongeveer 860 in opleiding zijn, 2800 monialen of contemplatieve dominicanessen en ongeveer 70 000 leden van de derde orde die bestaat uit zusters dominicanessen in actieve pastoraal en leken die zich via een gelofte met de orde hebben verbonden. Het gaat dus over een identiteit met een lange traditie, wat inhoudt dat ze doorheen heel wat beproevingen heen is gegaan, maar ook dat ze aanslibsels van eeuwen soms meedraagt. Het gaat om een grote organisatie wat belangrijk is als we spreken over strategisch ingezet worden of wegtrekken. We zijn niet zoals bisdommen en parochies aan een territorium gebonden, maar staan rechtstreeks onder het gezag van de paus.

De identiteit steunt op 4 pijlers: gebed, studie, de gemeenschap en de verkondiging. Daar verder iets meer.

De orde is geordend volgens provincies die een grote autonomie hebben met aan het hoofd een provinciaal die voor 4 jaar is gekozen. Elke provincie moet minstens drie kloosters met een verkozen prior (voor 3 jaar) hebben. Aan het hoofd van de orde staat de magister die wordt bijgestaan door een groep van assistenten. De magister is verkozen voor negen jaar in een zogenaamd groot kapittel. Boven de magister staat het generale kapittel dat om de drie jaar samenkomt en de ene keer uit provinciaals, een volgende keer uit gekozen voetvolk en een derde keer uit beide samen bestaat. Die kiezen samen de magister die dan de orde verder bestuurt. Iets kan maar wet worden en definitief in de constituties worden opgenomen als het door drie opeenvolgende kapittels is goedgekeurd. De opleiding van een predikbroeder duurt minstens 9 jaar (1 jaar noviciaat, 3 jaar wijsbegeerte, 5 jaar theologie met daarna of ertussen een vervolmaking of andere opleiding). Ook voor de zusters is studie en gebed belangrijk. Zusters van de derde orde hebben bijna altijd een beroepsopleiding, de contemplatieven organiseren voortdurend vormingsdagen en vragen uitdrukkelijk de steun van de beste predikanten. Ook voor de leken geldt dat ze dagelijks gebed voorzien, regelmatig studiesamenkomsten hebben en zich inzetten voor het Rijk van God.

Aangezien mensen meestal degelijk zijn opgeleid en de democratie heel gevoelig is gaat men volgens mij op een erg volwassen manier om met elkaar. Er is grote vrijheid om te studeren wat men wil en in de keuze van het apostolaat. Dat geeft de indruk dat het soms meer om een horde dan om een orde gaat. Opvallend is het democratisch karakter waarbij alle verantwoordelijken van hoog tot laag voor een beperkte tijd zijn verkozen. De structuur van provincies met relatieve grote autonomie en die zichzelf altijd graag beschermen of soms afschermen, plus het trage tot stand komen van wetten geven aan de orde een logheid waartegen de laatste kapittels meer en meer in het verweer gaan. Men wil meer een moderne, beweeglijke organisatie worden en riskeert daarmee iets van zijn Middeleeuws karakter te verliezen.

Waarom deze behoefte, hoe is de orde historisch gegroeid en wat blijft behouden door de eeuwen heen en heeft betekenis voor ons vandaag? Wie we nu zijn werd bepaald door de historische omstandigheden van het begin, door de visie van de stichter Dominicus, door de impact die de grote denkers van het begin hadden, en door de uitdagingen die zich in de geschiedenis en vandaag voordoen. Dat alles vormt onze identiteit en relevantie.

 

I.                 Een korte duik in de geschiedenis

André Vauchez onderscheidt in de geschiedenis van de Middeleeuwse spiritualiteit 3 fasen[1]:

-        De Karolingische periode (8° – begin 10° eeuw). Einde van Romeins imperium, inval van de ‘barbaren’, christendom wordt algemene godsdienst voor volkeren rond de Middellandse Zee. Karolingische vorsten verdedigen het christendom dat als een bindend cement in de samenleving wordt.

Typisch in deze spiritualiteit is: terugkeer naar het Oude testament en het Israël van de koningen. Karel de Grote zag zich als de nieuwe David of Jozua. Teksten over de koning die vrede brengt stonden centraal. De koning waakte over het onderhouden van de Wet. Hij moest ervoor zorgen dat het christelijk ideaal gerealiseerd werd, zodat de zwaksten beschermd werden. De priester was meer man van gebed en bedienaar van sacramenten dan een predikant. In die tijd begint men privé-mis op te dragen.  Vooral boete doen en vasten waren belangrijk. Bij gewone gelovigen heerste veel bijgeloof.

 

-        De periode van de monniken (10 – 11° eeuw). Door het moreel verval van priesters en bisschoppen (men was uit op geld, had nauwelijks enige opleiding en leefde meestal in een concubinaat) komt er een reactie vanuit het monnikendom. Cluny (gesticht in 910) is een typisch voorbeeld. Centraal in deze spiritualiteit waren de teksten uit de Apocalyps over het hemelse Jeruzalem. De abdij was een plek waar een eerste aanzet leefde van de eindtijd. Belangrijk was zich te bekeren en wel door zich af te keren van deze wereld. Teksten zoals die van Johannes over ‘de wereld’ en de tegenstelling tussen wereld en christendom speelden een belangrijke rol. Onder invloed van Augustinus en de Stoïcijnen groeide een nieuwe spiritualiteit van ascese, contemplatie en liturgie vieren. Men ging een sterk onderscheid maken tussen heilig en profaan. Vanaf nu werd het celibaat verplicht. Er ontstond een hiërarchie waarbij eerst de monnik staat, dan de priester en uiteindelijk de leek. Men ging nog meer belang van vasten onderlijnen, het eenvormig worden met de lijdende Christus. Door falen van de wereldse machten raakte de kerk meer en meer in wereldse zaken betrokken en groeide de idee van rechtvaardige oorlog wat tot de kruistochten leidde.

 

-        Godsdienst van de nieuwe tijd (einde 11° - 12° eeuw)

Het was de eeuw van de grote vooruitgang. Betere landbouwtechnieken, overschotten en export, winst maken, contact met nabije Oosten. Opkomst van de burgerij en de gilden als reactie op feodale structuur. Men beleeft het einde van de feodale tijd en daarmee ook het einde van de macht van de landheer en van de abt. De troubadours bezongen de aardse schoonheid en liefde. Naast nieuwe rijken kwamen nieuwe armen. Als reactie ontstond een spiritualiteit van de leken die zich ontgoocheld afkeerden van de kerk en eigen kleine spirituele groepen gingen vormen waarin men op een hartelijke manier met elkaar omging en een leven van zuiverheid nastreefde. Katharen en Waldenzen zijn een typisch voorbeeld van de nieuwe armoedebeweging. Men wilde op alle vlakken terug naar de bron. Zowel in de literatuur (Cicero, Vergilius), in de spiritualiteit (kluizenaars) als Bijbels. De nieuwe mens was nieuwsgierig en wilde met allerlei geschriften in contact komen. Voor het eerst is er de intellectueel, iemand die op zoek is naar inzicht om zichzelf.

Centrale teksten als leidraad voor een spiritueel leven werden nu de Handelingen van de apostelen waar beschreven is hoe de eerste christenen in sterke verbondenheid leefden. Dat werd het nieuwe ideaal zowel voor de lekenbewegingen die zich van de kerk afkeerden als voor de ordes die in deze tijd werden gesticht. Zij zijn een reactie tegen de mentaliteit van rijk worden, ze  reageerden tegen elke vorm van autoritair gezag zowel werelds als spiritueel en ze plaatsten het centrum helemaal in de mens zelf. Opvallend is dat bij de lekenbewegingen er een negatieve mentaliteit tegenover het aardse bleef bestaan waardoor de vroegere ascetische aversie van lichamelijkheid en van de wereld voortging. Hiertegen reageert o.a. onze orde, omdat vanuit de eerste grote theologen een andere filosofische inspiratiebron een rol ging spelen. We maken namelijk de herontdekking van Aristoteles mee en daarmee ook het einde van een spiritualiteit die steunde op het neoplatoonse dualisme. De bedelorden die in deze tijd ontstaan namen de structuur van de gilden over en waren geïnspireerd door de nieuwe filosofie.

 

II.               Dominicus en zijn orde

Dominicus (1170 – 1221)

Dominicus werd ongeveer in 1170 in Caleruega (midden Spanje) geboren. Hij besloot op jonge leeftijd priester te worden en kreeg een gedegen opleiding in Palencia. Tijdens zijn studies was hij zo getroffen door de armoede die hij in zijn stad zag dat hij al zijn boeken verkocht en het geld aan de armen gaf. In 1199 werd hij lid van het kathedraalkapittel in Osma waar hij een vrij ingetogen leven leidde. Kanunnik van een kathedraal was op dat ogenblik geen eervolle afsluiting van een carrière, maar een eerste stap om in een nieuwe spirituele sfeer te leven. Het was een reactie tegen het al te wereldse leven van de priesters. Deze kapittelheren wilde door gebed, studie en soberheid als gemeenschap een getuigenis zijn. Dominicus was verantwoordelijke van deze groep als zijn bisschop hem vraagt hem te vergezellen voor een opdracht van de koning om naar Denemarken te gaan. Twee keer ondernemen ze die reis en ziet hij voor het eerst hoe grote gebieden van Europa ontkerstend zijn, ziet hij hoe armoede en rijkdom met elkaar botsen en hoe hele groepen van de bevolking zich ontgoocheld hebben afgekeerd van de kerk. Daarom beginnen hij en zijn bisschop overal te preken, vooral in de streek van Zuid-Frankrijk.

Op dat ogenblik worden ook andere initiatieven genomen. Zo stuurt de paus enkele monniken naar die gebieden (o.a. Bernardus van Clairveaux), maar die keren ontgoocheld terug en laten de paus weten dat ze voor die taak niet zijn opgeleid. Er is ook een initiatief van de koning van Frankrijk die zijn ijzervreter Montfort stuurt om militair mensen tot het christendom te dwingen, de streek te veroveren en zo het zuiden te annexeren.

 

Dominicus en Diego gaan helemaal anders te werk.

-        In plaats van dwang probeert Dominicus mensen tot een ander innerlijk inzicht te brengen. Door bedelmonnik te worden verliet Dominicus ook de veilige en gemakkelijke positie van gesettelde priester en nam hij als een kwetsbare, rondtrekkende predikant de levenshouding van zijn tegenstanders aan. Dat geeft ons nu al een hint voor de identiteit van prediker: je spreken krijgt maar respect en gezag als je met je leven bewijst wat je zegt en je daarbij inleeft in de wereld van diegene voor wie je spreekt. Predikant zijn is iets anders dan een spreker, die vrijblijvend een lezing geeft en weer verdwijnt. Daarbij zou het belang van een gemeenschap Dominicus altijd bijblijven.

-        Dominicus keert terug naar de bronnen en begint met een verkondiging die steunt op de Bijbelse tekst. In plaats van een dogmatische leer staat de tekst en de interpretatie centraal.

-        Dominicus laat zich inspireren door zijn tegenstanders. Hij neemt de levenswijze van de katharen over en leeft als een rondtrekkende bedelmonnik.

-        Ze bezoeken de paus (Innocentius III) die hen aanspoort om hun taak verder te zetten en een eigen groep van predikanten te vormen. De bisschop keert terug naar zijn thuisbasis en Dominicus gaat alleen verder. Stilaan verzamelt hij een groepje predikanten die als een losse groep de verkondiging op zich nemen. Al vlug vraagt de paus hem om van deze groep een eigen orde te maken met een eigen grondwet en structuur. Vooraleer de orde van mannen te stichten richtte Dominicus een klooster op voor vrouwelijke contemplatieven. Zij vormen de biddende basis van de orde.

 

Dominicus en de eerste broeders

Wat Dominicus gedacht en gepreekt heeft weten we niet. Er is van hem geen enkele tekst bewaard, er zijn enkel de hagiografische getuigenissen van generatiegenoten zoals Jordanus van Saksen. Dominicus heeft iets fascinerend: hij is stil en teruggetrokken (als de orde is gesticht weigert hij om de eerste magister te worden) tegelijk is hij een gedreven naar buiten tredende predikant. Hij laat zich op sleeptouw nemen maar zet dan later op zijn eigen manier door (eigenlijk ligt niet Dominicus maar bisschop Diego aan de basis van de roeping tot prediker). Hij laat geen geschriften na om zijn ideaal te omlijnen, maar heel pragmatisch en intuïtief neemt hij contact met de paus en ordent hij zijn groep.

Dominicus gaat dan over tot het vormen van een orde en is daarbij vooral geïnspireerd door de tekst in het evangelie waar Jezus de leerlingen 2 aan 2 uitstuurt om te verkondigen. De leerlingen krijgen een dubbele opdracht: de Blijde Boodschap te verkondigen en de zieken te genezen. De twee horen samen: verkondiging moet zodanig zijn dat ze iets therapeutisch heeft, het moet gewonde mensen genezen en thuis brengen in zichzelf en in de gemeenschap van de kerk.

Het concilie had verboden dat er nog nieuwe ordesregels zouden worden opgesteld en daarom neemt men de regel van Augustinus aan en begint men aan de opbouw van een eigen wetboek.

Zoals in het evangelie stuurt Dominicus zijn broeders weg. Twee aan twee verspreiden ze zich snel over heel Europa. Al vlug na de stichting in 1216 zijn de dominicanen reeds in Gent (1228), enkele jaren later in Luik (1234) en daarna in Leuven. Het wijst op een enorm vertrouwen dat hij had in zijn medebroeders en het besef van God een zending te hebben gekregen.

Heel vlug kennen de bedelorden een groot succes. De franciscanen waren vanaf hun stichting een beweging en vormden aanvankelijk rondtrekkende, bedelende groepen. De dominicanen werden vanaf het begin kerkrechterlijk als een klerikale orde omschreven. Dat hield in dat alle hogere functies door een gewijde priester-broeder moesten ingevuld worden, maar ook dat men aan huisvesting en inkomsten moest denken. De orde kreeg daarom de mogelijkheid om een eigen kerk te hebben en dus ook eigen inkomsten. Opvallend is dat Dominicus de groep aanraadde dit niet te aanvaarden, omdat hij het karakter van armoede en rondtrekken wilde behouden. De groep volgt hem niet en begint zo een eigen instituut te worden.

 

Constituties

De inspiratie en intuïtie van Dominicus wordt voortgezet door het eerste generale kapittel, de basisconstitutie en de eerste grote theologen.

Enkele opvallende trekken in deze constituties:

-        Het democratisch karakter van de structuur: alle functies worden democratisch gekozen en kunnen slechts tijdelijk door iemand worden vervuld.

-        De orde vormt zich volgens het ideaal van half contemplatief half actief. Men behoudt het koorgebed, maar anders dan de contemplatieven. Het moet ‘vlot en zwierig’ zijn zoals in de constituties. Dat betekent dat in het centrum een objectief, bovenpersoonlijk gebed staat. Daarnaast is er wel de devotie van de rozenkrans en de 9 manieren van bidden volgens Dominicus. Toch is de devotie in de orde nooit wat ze in de latere congregaties werd of zoals in de geestelijke oefeningen van Ignatius waar de klemtoon ligt op het individu, het komen tot onderscheiding en het gewetensonderzoek.

-        Het belang van de studie: elk klooster heeft een lector conventualis. In het begin van de orde was er in ieder klooster elke dag één uur uiteenzetting en discussie.

Men kon vrijgesteld worden van koorgebed omwille van de studie. Studie wordt gezien als een vorm van intellectueel gebed. Het gaat er niet om diploma’s te verwerven, maar zich te confronteren met een of meer belangrijke denkers om zo op een verdiepende manier de vragen van het leven tot zich te laten komen. Centraal staat de studie van de Bijbel, maar ook belangrijk is de bestudering van grote, niet gelovige denkers. Dat hebben de eerste grote theologen al aangetoond. Studie is bedoeld om de gevoeligheden en vragen van de tijd tot zich te laten komen. En die worden vooral door kunstenaars en denkers aangereikt. Studie is dan eerder de worsteling, de vragen en de zoekwegen in zich opnemen om zo van binnenuit antwoorden te vinden.

-        Centrale opdracht is de verkondiging in al haar schakeringen. Dus zowel het gesproken als geschreven woord, via de kunst maar ook soms het getuigenis door zijn persoon zoals vb. de priester-arbeiders hebben gedaan. Vanaf de beginperiode was men zodanig georganiseerd dat men daarvoor helemaal beschikbaar was. Het klooster was dus een tijdelijke rustplaats om vervolgens uit te zwermen.

Elk klooster moet beschikken over een verzorgde bibliotheek. Broeders mochten vanaf het begin een bijbel en een mes bezitten als ze op weg gingen. Een bijbel had wel de waarde van een huis. Dit kon omdat armoede in dienst stond van de verkondiging.

 

De eerste theologen

Dankzij de eerste grote theologen komt de invloed van Aristoteles binnen. Albertus Magnus, Thomas van Aquino, Dietrich von Freiberg, Meister Eckhart zijn de belangrijkste figuren die meegaan in de filosofische aardverschuiving die in Europa plaats heeft, omdat men via de Arabische filosofen Aristoteles ontdekt waardoor het neoplatonisme wordt achtergelaten. Aristoteles vormde een grote uitdaging voor het geloof, want hij neemt niet het bestaan aan van de ziel noch het bestaan van God.  Het zijn de eerste theologen die de taak op zich nemen om de Blijde Boodschap en de wijsbegeerte met elkaar te verzoenen zodat een heel nieuwe manier van denken op gang kwam. Centraal daarin staat de toekering naar de aarde en naar het leven tegenover de neoplatoonse wereldvlucht. Dat houdt in dat het geleefde leven voorafgaat aan het spreken en de verkondiging.

In het schild van de orde staat het woord  Veritas waarheid. Maar men kan dit op veel manieren begrijpen. Waarheid als het zetten van de puntjes op de i, en dat hebben een aantal broeders ook tijdens de inquisitie gedaan. Waarheid kan je ook Heideggeriaans begrijpen als het aandachtig, zoekend en respectvol bij de dingen zijn zodat ze geleidelijk aan het licht komen. Dat moet de verkondiging zijn: gedragen door het leven waar men zich naar toekeert zodat de diepste grond van de werkelijkheid aan het licht kan komen waarbij men zo spreken moet dat dit kan gebeuren. Dus mensen eerder tot verwondering brengen, hen in een toestand van luisteren brengen, eerder dan hen overrompelen met inzichten. Het is hier niet de plaats om daarop dieper in te gaan, ik wil slechts wijzen op het belang dat deze theoretische evolutie heeft op de identiteit van de dominicanen.

 

Thomas van Aquino

De pragmatische aanpak van Dominicus kreeg een theologische fundering door de inbreng van Thomas. Zijn magnum opus is één grote worsteling om de herontdekking van Aristoteles in relatie te brengen met de Blijde Boodschap. Daarom noemt hij zijn bijdrage geen theologie maar Sacra doctrina. Herhaaldelijk nam hij de verdediging van de bedelorden op zich. De identiteit van de orde omschreef hij als: contemplari et contemplata aliis tradere. Deze omschrijving werd sindsdien een beetje het uithangbord van de orde. Twee opdrachten waarvan je niet weet of de eerste ook de belangrijkste is, of ze naast elkaar staan en eventueel elkaar oproepen. Je kan trouwens bij elk woord allerlei bedenkingen maken. Wat bedoelde hij met contemplari? Zeker is dat het niet hetzelfde is als de meditatie. Het gaat er niet om zich via verbeelding in te leven in de Bijbelse tekst, die te overwegen om vervolgens tot besluiten te komen voor het dagelijkse leven. Eerder is contemplatio hier het komen tot een verstillend, woordeloos schouwen. Wie zijn de ‘aliis’: zijn het de ongelovigen of de christenen die zoeken te begrijpen (fides quaerens intellectum)? In de Bergrede richt Jezus zich tot de ‘armen van Jahwe’. Het is ook de opdracht van de orde om op de eerste plaats te spreken tot wie uitgesloten is, tot de wanhopigen en de zoekers. En wat is ‘tradere’: gaat het om het vertalen van de Blijde Boodschap in de taal van die tijd, om het aanreiken van een inzicht zoals Dominicus bedoelde? Na het Tweede Vaticaans Concilie hebben veel medebroeders gepreekt met de bedoeling een brug te slaan tussen de Romeinse tijd en die na het concilie. Het ging om een hertaling. Maar op vandaag staan we voor een veel radicaler opdracht. We moeten vanuit heel nieuwe situatie en vanuit een postmoderne wijsbegeerte gaan spreken over geloven.

Thomas heeft een basis gelegd die voortaan de spiritualiteit van de orde zou blijven tekenen. Het gaat om een spiritueel realisme waarbij geloof en rede, de Bijbelse Openbaring en de wijsbegeerte elkaar oproepen en wederzijds verdiepen. Na Thomas kwam het thomisme en nog later het neothomisme, maar op vandaag is de studie van zijn teksten in een nieuw licht komen staan. Men geeft terug meer aandacht aan het Sed contra: aan de argumenten van de tegenstanders die Thomas ter sprake brengt, niet als een retorische truckje maar in diepe ernst. En nog verder begint men zich de vraag te stellen of onder de grote kathedraal van kennis die Thomas optrok niet het besef leefde van het onvermogen van onze kennis en ons spreken. Het verschil met Meister Eckhart zou dan niet zo groot zijn.

 

Meister Eckhart

Wat Eckhart wilde bereiken zou ik in één uitspraak van hem kunnen samenvatten: Ik bid God dat Hij mij van God zou bevrijden. (Her umbe sô bien wir got, daz wir gotes ledic werden)[2]

In een andere preek zegt hij: je kan God even goed op straat tegen komen of in de stal, even goed als in de kerk.

In de preek over Martha en Maria prijst hij Martha als de echte gelovige, want zij is bij de dingen maar de dingen zijn niet in haar. Martha gaat een wegloze weg.

Eckhart roept daarom op om een houding van Gelassenheit und Abgeschiedenheit aan te nemen. Leven in het hier en nu, een leven zonder waarom.

Zijn uiteindelijk ideaal verwoordt hij in de preek Beati pauperes spiritus.  Diegene is echt arm die niets wil, niets weet en niets heeft. Eckhart is daarmee een radicale weg gegaan van ontkenning. De negatio niet als een tussenstop om vervolgens over te gaan naar een via eminentiae. Deze weg gaf aan zijn mystiek een onvoorstelbare vrijheid en diepte. De Godsgeboorte in de ziel heeft plaats los van alle vermiddeling en kerkelijke bevoogding.

Door deze nieuwe inspiratie ontstond een nieuw realisme en nieuwe benadering van het heilige. Thomas en Eckhart hebben een groot respect voor de eigenheid van ieders geweten (bij conflict moet je eerder je geweten volgen dan de algemene norm zegt Thomas), en beogen een spiritualiteit die zich juist helemaal naar de werkelijkheid in haar diepte richt. Armoede en ascese krijgen daardoor een nieuwe betekenis. Typisch bij deze figuren is de waardering van het intellectuele. Geloof moet proberen zichzelf te verhelderen. Centraal staat het Geheim dat God is, maar men vervalt niet in een piëtistische vroomheid. Het gaat om fides quaerens intellectum. Geloof en rede zijn niet elkaars vijand maar vragen om wederzijdse bevruchting. Opvallend is ook dat deze denkers het gesprek met andersdenkenden zo ernstig nemen. Thomas formuleert slechts zijn persoonlijke mening na eerst die van zijn tegenstanders in volle ernst te hebben geformuleerd. En Eckhart zegt in een van zijn preken dat de heidense meesters beter konden omschrijven wat deugd is dan een christen dit kan, omdat die eersten niet kunnen terugvallen op hun geloof.

 

Een Middeleeuwse orde

-        Het beklemtonen van het leven der eerste christenen zoals beschreven in de Handelingen krijgt een specifieke invulling voor de verkondiging. Het leven in gemeenschap gaat men zien als een eigen aanzet voor de verkondiging. Pas vanaf de Moderne Tijd leeft men vanuit een sterke beklemtoning van het individu.

-        Onze orde is door en door Middeleeuws wat voor een mens vandaag soms vreemd overkomt. Middeleeuws is onder andere dat men altijd opgenomen is in de groep. Indien ik vandaag geen tijd heb voor gebed, bidt de groep in mijn naam. Mensen worden niet afgemeten naar hun prestaties. In elke groep of provincie zijn er altijd enkelen die niet veel presteren, eventueel werk doen dat niet rendeert. Dit moet kunnen, omdat de groep dragend is, niet de enkeling. Middeleeuws is ook de theologie van eerste groten. Het is een theologie die een grote rust en evenwicht uitstraalt. Ook al leeft men in een tijd van sociaal diepe onrust en het besef dat misschien veel mensen de hemel niet zullen bereiken toch blijft men daarbij erg rustig. De relatie met zijn innerlijk is van die aard dat men zich minder dan in de Moderne Tijd zal opjagen. Cfr. Het verschil tussen Eckhart en Angelus Silesius.

-        Vanaf het begin heeft de orde een eigen standpunt tegenover gezag. Iedere overste wordt gekozen en wel voor een omschreven beperkte tijd. Ook spiritueel en theologisch moet het uiterlijke gezag steeds wijken voor het innerlijke gezag: het eigen geweten, het persoonlijke inzicht. Daarbij was de orde altijd exempt waardoor ze nooit valt onder gezag van een lokale bisschop, maar van de eigen oversten die uiteindelijk onder het gezag van de paus staan.

-        Het contemplatieve is geen toevoeging aan ons apostolaat maar vertrek- en eindpunt. Alles begint vanuit bezinning en alle spreken mondt uit in een eerbiedig verstillen en zwijgen. Onze orde was vanaf het begin half contemplatief, half actief. Dat betekent niet dat we de eerste uren van de dag contemplatief zijn en de laatste actief, maar wel dat onze activiteit, onze verkondiging van binnenuit doordrongen moet zijn door het contemplatieve. Je mag alleen datgene verkondigen wat je van binnenuit hebt geproefd, gewogen en waarvoor je je hand in het vuur durft steken. Onze studie dient niet om succes te behalen, maar is een vorm van verwijlen bij de Boodschap. Contemplatie in dienst van het apostolaat.

Maar het gaat nog dieper: ons gebed, de stilte en het zwijgen zijn de diepste laag van ons spreken. Alle verkondiging, alle uitleg vindt haar laatste zin in het komen bij Gods onnoembare en onachterhaalbare grootheid. Misschien is dat nog het krachtigste teken dat we aan onze jachtige wereld hebben te geven: het getuigenis van onze verworteling in Gods liefde. Ook daarin was Dominicus een voorbeeld en inspiratiebron.

 

III.              De huidige context waarin we moeten spreken

Er moet een ‘Nieuwe evangelisatie’ komen, zei paus Johannes Paulus II. En hij bedoelde ermee: in een nieuwe taal, een nieuwe stijl en met nieuwe methodes de Blijde Boodschap beleven en doorgeven aan anderen. Zijn we daartoe in staat? Realiseren we in onszelf die nieuwe stijl, hebben we een andere taal geleerd en staan we open voor nieuwe uitingen van religiositeit? Begrijpen we wat er leeft bij de velen die zich van hun eerste geloof hebben afgekeerd of anderen, die er nooit iets van hoorden? Ik denk dat we allereerst gevoelig moeten worden voor de tijdssfeer en voor de eigen levenssituatie van de hedendaagse mens en nadenken over de houding die de kerk heeft ingenomen. Er is immers zoveel veranderd in de laatste 50 jaar.

De wreedheden van de voorbije eeuw, het machtsmisbruik van het kerkelijk instituut, het misbruik door priesters, het blijven voort spreken in een taal en in beelden van een andere tijd, dat alles heeft ervoor gezorgd dat de geloofwaardigheid van het christendom is weggedeemsterd. Na 50 jaar schijnt de dynamiek van het Tweede Vaticaanse concilie te zijn uitgedoofd en heeft men de klok in vele opzichten teruggedraaid.

Niet alleen het christendom, ook de andere grote verhalen hebben hun geloofwaardigheid verloren. Mensen zijn niet meer bereid om zomaar achter een vlag aan te stappen, niet op 1 mei en niet op Hemelvaartsdag. In de plaats kwam een individualisme waarbij ieder voor zich op zoek is naar iets dat zin en diepte aan het leven geeft. Zowel op vlak van geloven als in het dagelijkse leven, in kinderopvoeding of het gewone levenspatroon is de band met de traditie verloren gegaan. Tegelijk blijft de mens een zinzoeker en is men bereid om op allerlei nieuwe dikwijls onsamenhangende ideeën in te gaan. Onze samenleving heeft haar christelijke wortels achter zich gelaten, maar is daardoor nog meer dan ooit enkel nog bezig met succesvol zaken doen, zo veel mogelijk goedkoop produceren en nog meer consumeren. Het individu is daarbij slechts een anoniem schakeltje dat dient om het geheel draaiende te houden. De vergelijking met wat zich in de 13° - 14° eeuw afspeelde is sprekend. De vraag is: welke plaats heeft de orde in deze context?

In de laatste 50 jaar heeft de kerk 3 fasen doorgemaakt. Toen ik in de orde trad stond de kerk nog voor een groot stuk in het centrum van de wereld. Vandaar mijn ideaal om te kunnen preken, spreekkamer en biechtstoel te bedienen en tijd te vinden om te studeren. Al heel vlug merkte ik dat er veel was veranderd. Kerk en wereld waren uit elkaar gegaan en de vraag was hoe een verbinding tussen de twee te maken. Ik en een aantal anderen gingen profane studies studeren om zo de taal van de wereld te kennen. We gingen in kleine gemeenschappen wonen om zo tussen het volk te zijn en via gesprekken met elkaar een andere spiritualiteit op te bouwen. Tegenwoordig zitten we in een derde fase waarin kerk en wereld zich beide als een zwalpende groep voelen, worstelend met dezelfde problemen. Er dient zich nu een nieuwe dualiteit aan: die tussen zoekenden binnen en boven de kerk, en die tussen de behoudsgezinden over de verschillende godsdiensten heen (M. Bellet). De vraag is of wij bij die eerste groep willen behoren en in hun wereld en hun taal willen intreden.

Naar mijn gevoel dreigt de kerk haar basis te verliezen door de manier waarop men de territoriale pastoraal organiseert. Er zijn niet voldoende priesters en daarom is men bezig met een grote reorganisatie. Eerst ging het over fusie van parochies, toen over federaties en vandaag over zones. Men wil daarbij het klerikaal karakter van de kerk redden. Naar mijn oordeel moet men ofwel het priesterschap open stellen voor gehuwde mannen en vrouwen, ofwel moet men anders over sacramenten gaan denken. Eventueel andere uitingen van geloof als evenwaardig aan de 7 sacramenten zien ofwel sacramenten aan leken toevertrouwen. In het huidige beleid dreigt men het natuurlijk gegroeide weefsel van een lokale gemeenschap te vernietigen.

Binnen dat gebeuren hebben de ordes een eigen taak. Anders dan territoriaal moeten ze gemeenschappen vormen die de hartelijkheid van de eerste christelijke gemeenschappen uitstralen. Plaatsen waar ruimte is om laboratorium te zijn. Waar men kan experimenteren met liturgie, waar ideeën een kans krijgen om uitgetest te worden, enz.

 

IV.             Hedendaagse invulling van de dominicaanse identiteit.

Als we terugkijken naar wat vanaf de stichting van de orde typisch was en als we daarbij bedenken welke de vragen en uitdagingen de hedendaagse wereld en kerk beheersen dan zie ik enkele belangrijke aanzetten en vragen voor onze eigen invulling van het dominicaanse ideaal. We zijn een Middeleeuwse orde waardoor we een andere basis hebben dan wat naar ons komt via de Moderne Tijd. Een mens is daarom niet waardevol door wat hij presteert, maar door wat hij is. De tijd en tijdsdruk kan anders beleefd worden aangezien mijn zelfwaarde niet afhangt van wat ik in deze beperkte levensperiode kan realiseren.

 

a.     Het belang van een coherente groep als eigen vorm van verkondiging.

Behoren tot een groep is verloren gegaan door het gegroeide individualisme en de neoliberale mentaliteit van concurrentie, maar tegelijk is er een sterke behoefte om in een anonieme massa onder te gaan zoals jongeren beleven tijdens een muziekfestival. Er is dus tegelijk aversie van groepen die teveel beslag leggen op de individuele vrijheid, maar tegelijk wil men erbij zijn, deel van een geheel vormen. Het is een uitdaging voor vandaag om spirituele groepen te vormen waarin beide aspecten aan bod komen. Naar de toekomst toe denk ik dat alleen die plaatsen zullen overleven waar deze samenhang sterk wordt beleefd. Vandaar het belang van spirituele cellen die verbonden zijn met een oude orde en op die manier stevigheid en toekomst hebben.

 

b.     Antwoord op het nieuwe menstype dat aan het groeien is.

Zoals Aristoteles een uitdaging vormde voor de 12° - 13° eeuw worden we uitgedaagd door de nieuwe sfeer die door de nieuwe communicatiemedia wordt opgedrongen. Er is een andere manier van kennisverwerving en verwerking, een andere manier van discussiëren, van contact leggen, mensen krijgen een andere relatie met hun innerlijk al was het maar omdat hun geheugen verandert (je moet niets onthouden of van buiten leren want het is zo voorhanden). Tegelijk groeit ook het wantrouwen naar allerlei vreemde informatie, de pogingen van hackers om in te dringen. We staan voor een grotere uitdaging dan enkel maar al of niet twitteren en met face-boek mee te doen. Er is een heel nieuw menstype aan het groeien met een andere beleving van innerlijkheid en ik vraag me af hoe we daarop moeten inspelen. Zijn we in die nieuwe stroom mee en zouden we het aankunnen om in deze vernieuwde vorm aan verkondiging mee te doen?

 

c.      Belang van de inzet van leken. Hoe een vruchtbare samenwerking vinden?

Onze orde had vanaf haar stichting een belangrijke lekenwerking. De derde orde bestaat uit geëngageerde leken en zusters. De eerste verbinden zich door een gelofte om in de geest van de orde als leken in de wereld te staan, de tweede groep vormt lokale congregaties die onder de drie geloften staan. Samen vormen zij op dit ogenblik een groep van ongeveer 70 000 leden over heel de wereld. De inzet van deze leken zal in de nabije toekomst meer dan ooit belangrijk zijn.

Vooreerst omwille van het grote priestertekort. Volgens mij is de klerikale kerk aan haar einde. Ik bedoel daarmee het denken en organiseren van het christelijk leven waarbij de gewijde, celibataire priester het centrum vormt. Territoriaal gezien moet men de gegroeide gemeenschappen respecteren en alle verantwoordelijkheid geven, ook sacramenteel. Gemeenschappen moeten hun eigen voorganger kunnen kiezen die de gemeenschap samenbrengt en begeleidt. Niet-territoriaal moet men naar gedeelde verantwoordelijkheid in de verkondiging, het uitgeven van tijdschriften, enz.

Hoe moet de orde zich daarbij hier in Vlaanderen opstellen? Vanuit Rome ziet men ons als een missiegebied waar de secularisatie extreem leeft. Vandaar de idee om ons vanuit het buitenland te bekeren. Is deze visie en de ermee verbonden missioneringsgedachte juist? Er is inderdaad in de media een grote aversie tegenover religie en spiritualiteit, maar is dat ook zo onder de bevolking? Het zou even goed kunnen dat we hier op een heel andere manier aan spiritualiteit en kerkopbouw moeten werken die profetisch zijn voor andere regionen. Ik kan dit niet beoordelen, maar het zou tot gevolg hebben dat we meer dan ooit moeten inzetten in de vorming van leken, het doorgeven van verantwoordelijkheid. Dat is de reden dat ik het belangrijk vind dat in de orde naast de groep van sympathisanten een aantal leken zich bewust door een gelofte engageren. Want op die manier bekent men zich tot het ideaal dat de orde typeert en wil men er op zijn manier een steentje in bijdragen. Maar ook omgekeerd: daarmee verbindt de orde zich met hen en is ze bereid deze groep te dragen.

Marcel Braekers o.p.

 

 

  • [1] A.VAUCHEZ, La spiritualité du Moyen Age occidental VIIIe-XIIIe siècle. Paris, Ed. du Seuil, 1994. Dictionnaire encyclopédique du Moyen Âge sous la direction d’André Vauchez. Tome I et II, Paris, Ed. du Cerf 1997.
  • [2] Beati pauperes: Largier I Preken p. 554.

 

 

 

 

 

 Beluister de

 jubileumhymne

 

 

 

 

 

Jean Mossoux 

 

 

 

_________________ 

 Commentaren bekijken

_________________

 

Citaat commentaar Etienne Leirman

 

" Zijn doelpubliek is een steeds groter wordende groep die zich niet meer door de traditionele taal en leer aangesproken voelt of zelfs helemaal van vervreemd is. "

 _________________

 

 Citaat commentaar Sofie Foets 

 

"Het boekje “genoeg, gooi het over een andere boeg” was voor mij dus eigenlijk een leuke herinnering aan die kindertijd. Ik heb er  –  tot mijn verbazing – echt van genoten. Ik beleefde een soort van “aha-erlebnis” toen ik het las."

 _________________

 

Citaat commentaar Mieke Morlion

 

"Hij doorworstelt zijn scepsis ten aanzien van de figuur van Jezus via het evangelie van Matteüs. De teksten die hij dan verder doorploegt, bieden een rijk pakket aan christelijke inzichten."

 

 

 

De Dominicaanse gemeenschap in Knokke

Sint-Dominicushuis | Sparrendreef 91 | 8300 Knokke-Heist

T 050 60 24 55 | E Dit e-mailadres wordt beveiligd tegen spambots. JavaScript dient ingeschakeld te zijn om het te bekijken.IBAN BE36 7380 1199 5181 | BIC KREDBEBB