25 oktober 2009 - 30ste zondag door het jaar (B)


Mc 8,17‑18

 

Hoe dikwijls heb ik mensen al niet de bedenking horen maken: “Mocht ik opnieuw kunnen beginnen, ik zou bepaalde dingen toch anders aanpakken, want nu pas besef ik beter waar ik vroeger blind voor was.
Zulke bedenking maakt ook Marcus, wanneer hij dertig, veertig jaar na Jezus' dood, zijn evangelie schrijft: “Hoe hebben we toen zo dom kunnen zijn! Wat waren wij toen toch blind. Zo blind dat Jezus op een bepaald moment moest zeggen: 'begrijpen en verstaan jullie het nu nog altijd niet? Jullie hebben toch ogen, zien jullie dan niet?”
(Mc 8,17‑18)

Je kunt rondkijken en zien, en toch niet tot inzicht komen in wat werkelijk van belang is in het leven. Je kunt je vergapen op dingen die uiteindelijk niets bijbrengen voor een zinvol en gelukkig leven.
Welnu, daarvoor  wil  het verhaal van Bartimeüs ons de  ogen voor openen.
Het is als het ware een ‘iconografische’tekst. Dat is een verhaal dat bedoeld is om een bepaalde persoon levendig te houden; om de kracht die van die persoon uitging door te geven.
Denk maar even terug aan de heiligverklaring van pater Damiaan. Hoe hij tot leven kwam vanuit  de verhalen die over hem werden verteld en hoe het effect van zijn foto op het Sint-Pietersplein getuigenis gaf van zijn heldhaftige inzet voor de melaatsen.

Zo zou ook het verhaal van. Bartimeüs moeten functioneren.Kijk maar wat er gebeurt. Uitgerangeerd zit hij langs de weg. Maar als hij hoort wie daar voorbij komt, herleeft zijn hoop en krijgt hij weer vertrouwen. Heel zijn wezen komt in beweging. Hij werpt zijn mantel af, springt op en loopt naar Jezus toe.
Hij is het voorbeeld van een volwaardige leerling. Bij hem geen onbegrip, maar geloof; geen tegenwerking, maar bereidheid om Jezus na te volgen En dat laatste is de pointe van het verhaal: je kunt Jezus pas echt zien en te weten komen wie Hij is als je hem navolgt.
Tot dat inzicht wil Marcus ons brengen. Achteraf is dit allemaal duidelijk geworden, maar op het moment zelf beseften wij het niet, zegt Marcus.
Wij waren te druk bezig met onszelf en blind voor de nood van de anderen. Blind waren wij voor de moeilijke weg die Jezus gegaan is, en blind waren wij voor de mensen aan de kant van de weg, aan de rand van de samenleving. Alleen zagen wij dat toen nog niet.

Met dit verhaal vertelt Marcus ons over mensen die roepen om gezien te worden en mensen die anderen niet zien staan. Over mensen die voorbijgelopen worden, die hun verdriet uitschreeuwen maar wie de mond worden gesnoerd.

Maar tegelijk laat hij ons ook een ánder beeld van de mens zien: het beeld van hen die hopen en vertrouwen op genezing; het beeld van mensen die wél stilstaan bij andermans verdriet en die oog hebben voor al wie miskend wordt en hoopt om door zij medemensen gezien te worden.
En dat is het waar het op aankomt: het verlangen namelijk dat wij een naam en een gezicht krijgen voor elkaar. Dat vertrouwen je kan redden.
Dat geloof toekomst schept, als je niet blind blijft maar leert zien met nieuwe ogen, zien van binnenuit, zien met het hart. Jezus achterna..

Gerard Braet o.p.

 

U kunt reageren op deze preek:
Commentaar